In het volgende Natuurhistorisch Maandblad
SEPTEMBER

DE LIBELLENFAUNA VAN ZUID-LIMBURG
J. Hermans
In 1960 publiceerde W.G.C. Onstenk een artikel over de verspreiding van libellen in Zuid-
Limburg in het Natuurhistorisch Maandblad. Inmiddels is de kennis over de
verspreiding van libellen in Zuid-Limburg enorm toegenomen. In dit jubileumartikel worden de huidige beschikbare inventarisatiegegevens van libellen in Zuid-Limburg besproken en geanalyseerd. Daarbij wordt niet alleen aandacht besteed aan het verspreidingspatroon van soorten, maar ook ingegaan op de relatie tussen soorten en specifieke Zuid-Limburgse landschapselementen. Ondanks de toegenomen kennis over de libellenfauna van Zuid-
Limburg is er nog over bepaalde soorten of het voorkomen van libellen
in sommige deelgebieden nog te weinig bekend.

DE HERPETOFAUNA IN HET DUITSE DEEL VAN HET BOSBEEKDAL (Meinweggebied)
Verslag van een tweetal excursies van de Herpetologische Studiegroep
A. Lenders & P. Kolshorn
Op 11 april en 12 september 2009 hield de Herpetologische Studiegroep excursies in het Duitse deel van het Bosbeekdal in het Meinweggebied. De excursies waren georganiseerd in samenwerking met de Duitse natuurbescherming, speciaal het Biologische Station Krickenbecker Seen. Doel van de excursies was om de reptielen in dit natuurreservaat te inventariseren. De parallel-excursies aan beide zijden van de grens leverden een soortgelijk beeld. Zo was de Zandhagedis het meest geziene reptiel. Beide excursies toonden eveneens aan dat samenwerking bij grensoverschrijdende inventarisaties voor de natuurbescherming een duidelijke meerwaarde heeft.

HET LATE KRIJT VAN AKEN EN OMGEVING
Deel 2. Verkiezeld hout, dennenappels en meer
H. Knoll
Overal waar Akense zanden zijn ontsloten bieden ze mogelijkheden tot het verzamelen van plantenfossielen. In twee delen worden fossielen voorgesteld die de voorbije dertig jaar zijn verzameld uit een nog in bedrijf zijnde zandgroeve bij La Calamine (Kelmis) en uit de inmiddels verlaten zandgroeve Bingeberg-Flög bij Hauset in België. Recent voorkomende soorten worden eveneens kort besproken. In dit tweede deel wordt aandacht besteed aan kegels van Geinitzia, Pinus en Sequoia, stammetjes en twijgjes van coniferen alsook bladeren, vruchten en zaden. Als laatste wordt met een korte beschrijving gegeven van dierlijke sporen aan verkiezeld hout en van mogelijke uitwerpselen of eieren van insecten.