| Regelmatig verschijnen er de overbekende themanummers van het Natuurhistorisch Maandblad. Themanummers van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg zijn mede mogelijk gemaakt door de bijdrage van diverse subsidiënten, de inzet van een enthousiaste themaredactie en vele deskundige auteurs. Themanummer 'Brunssummerheide' (december 2009) Het 100 jaar oude Natuurhistorisch Genootschap in Limburg heeft een prachtig nieuw maandblad uitgegeven dat helemaal gewijd is aan flora en fauna van de Brunssummerheide. Dit 52 pagina’s dikke themanummer gaat in op alle mogelijke aspecten van de Brunssummerheide. Het themanummer werd gemaakt in samenwerking en met financiële ondersteuning van Natuurmonumenten en de omliggende gemeenten Brunssum, Landgraaf en Heerlen. In het themanummer wordt eerst ingegaan op het beheer van het gebied door Natuurmonumenten. Ook komt de bijzondere geologie en met name de vegetatie en macrofauna van het unieke hellinghoogveen aan bod. De broedvogels zaten door de intensieve recreatie jarenlang in een slob, maar recent keerde een aantal verdwenen soorten terug, waaronder de spectaculaire Nachtzwaluw. Op insectengebied is de heide zeer bijzonder, hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 100 soorten wilde bijen die met name langs de rand van het gebied aanwezig zijn. Daarnaast leven er typische heivlinders als het Heideblauwtje en de Heivlinder. In het hoogveen leven libellen en verspreid door het terrein is een rijke sprinkhanenfauna aanwezig. De flora is bijzonder omdat veel soorten van de heide alleen op voedselarme grond groeien, die op veel andere plekken in Zuid-Limburg ontbreekt. Bijzonder zijn met name de soorten van natte heide en hoogveen zoals Dopheide en Zonnedauw. Ook groeit er een aantal typische soorten van droge heidevegetaties zoals Tandjesgras en Zandblauwtje. Maar liefst 4 soorten reptielen kruipen rond over de heide, waaronder de Zandhagedis en de ongevaarlijke Ringslang. De paddenstoelenwereld op de heide bestaat niet alleen uit Vliegenzwammen, maar kent ook enkele bijzonderheden waaronder de Elzenboleet en het Vuurzwammetje. De aanwezigheid van 16 soorten veenmossen wijst op het belang van het hoogveen en de broekbossen langs de Rode beek. Het themanummer Brunssummerheide is te bestellen door € 7,00 (inclusief verzendkosten) over te maken op ING-rekening 429851 ten name van Publicatiebureau Natuurhistorisch Genootschap met vermelding van uw adres en Brunssummerheide. Voor meer informatie kunt u bellen met 0475-386470 of mailen naar kantoor@nhgl.nl. Noot voor de redactie: Recensie-exemplaren kunnen worden opgevraagd bij kantoor@nhgl.nl. Themanummer 'Bevers in Limburg' (april 2009) Tien jaar geleden is in een themanummer van het Natuurhistorisch maandblad over beken het idee gelanceerd om de terugkeer van de Bever in Limburgse beekdalen te onderzoeken. Van dat idee is werk gemaakt! Na afwezigheid van ruim 200 jaar dook eind 1992 spontaan een Bever op in Noord Limburg. Dit bleek een voorbode te zijn van andere Bevers die vanuit de Eifel het Limburgse als woonplaats kozen. In de periode oktober 2002 tot oktober 2004 werden in Limburg op tien locaties 33 Bevers uitgezet om de kleine groep zich spontaan gevestigde dieren te versterken. Dit heeft ervoor gezorgd dat het aantal vestigingen en het aantal Bevers aanzienlijk is toegenomen. De uitzettingen vonden op diverse plekken in Noord- en Midden-Limburg plaats. De Bevers die bij de Roer leven zijn daar grotendeels op eigen kracht vanuit de populatie in de Duitse Eifel toe gemigreerd. In verband met het vervolgproject “Op weg naar een duurzame populatie Bevers” is onderzoek uitgevoerd naar het aantal territoria van de Bever in het stroomgebied van de Roer. De Bever wordt ecologisch gezien als zogenaamde sleutelsoort omdat hij als ‘wateringenieur’ en ‘bosbouwer’ in staat is om het landschap in de oeverzone langs waterlopen aanzienlijk te beïnvloeden. Door zijn acties ontstaan tal van geschikte biotopen voor dier- en plantensoorten. Dit was dan ook de belangrijkste reden om de soort in Limburg uit te zetten. In het themanummer wordt ingegaan op de eerste ervaringen met de ecologische effecten van Bevers in Limburg. Daarnaast is een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten die Bevers in de toekomst teweeg kunnen brengen. Verder komt de aanleiding van het beverproject aan de orde en worden de argumenten besproken voor bijplaatsing van dieren. Het laat zien hoe de uitzettingen hebben plaatsgevonden en op welke wijze de Bevers zich vervolgens hebben aangepast aan het moderne landschap. Welke knelpunten waren er en met welke maatregelen werden ze opgelost? Aan bod komt ook de vraag hoe het publiek op de terugkeer van de Bever reageert. Welke kansen biedt het bijzondere dier voor bevertoerisme en natuureducatie? En omgekeerd: welke betekenis kunnen bevertoerisme en educatie hebben bij de acceptatie van de Bever. In het themanummer over Bevers in Limburg wordt verslag gedaan over de ontwikkeling van de Limburgse beverpopulatie, hun uitwerking op het landschap, de grootte van de territoria van Limburgse bevers en de Bevers in de Duitse Eifel. Themanummer ‘25 jaar vlinderen in Limburg'(april 2008) In 1983 werd de Vlinderstudiegroep van het Natuurhistorisch Genootschap opgericht. De Vlinderstudiegroep is altijd een echte studiegroep gebleven. Limburg is natuurlijk ook een van de spannendste plekken in Nederland om vlinders te bestuderen. Het inmiddels jarenlange onderzoek van actieve vlinderaars van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg heeft veel opgeleverd. Zo werden van de dagvlinders Boswitjes, Bruine dikkopjes, Veldparelmoervlinders en de eerste Klaverblauwtjes na lange tijd terug gevonden, en van de nachtvlinders de Kompassla-uil, Pachtbeer en Kleine Sint-Jansvlinder en Coniferenuil. Met elkaar houden ze de ontwikkelingen van deze vlindersoorten nauwlettend in de gaten. Samen met De Vlinderstichting bracht de studiegroep in 2001 ‘Dagvlinders in Limburg’ uit, nog steeds hét boek over de dagvlinders in deze provincie. Een prachtige illustratie van wat er nog steeds aan vlindermoois te vinden is in Limburg, maar ook wat er verloren is gegaan. Maar de studie gaat verder. Ook worden de nachtvlinders al jarenlang bestudeerd. Tijd dus voor een themanummer van het Natuurhistorisch Maandblad over ’25 jaar vlinderen in Limburg’, een nieuw overzicht met de stand van zaken van de vlinders in de provincie Limburg en enkele voorbeelden aan onderzoek wat daaraan ten grondslag ligt. De dagvlinderatlas van Limburg uit 2001 geeft een goed overzicht van de gevonden dagvlinders tot de eeuwwisseling. Maar inmiddels zijn er veel spectaculaire nieuwe vondsten gedaan in het Limburgse. Wat dacht u van het Donker pimpernelblauwtje in de Roerstreek, en het Klaverblauwtje en de Veldparelmoervlinder op de Sint-Pietersberg. Helaas gaat het ook met een aantal vlindersoorten minder goed. Zo blijkt het Gentiaantblauwtje sinds 2005 niet meer waargenomen op haar laatste vindplaats in Limburg. In het openingsartikel wordt een overzicht gegeven van deze ontwikkelingen in de dagvlinderfauna sinds 2000. Dit artikel is eigenlijk te beschouwen als een actualisatie van bovengenoemde atlas. In een volgend artikel wordt eenzelfde overzicht wordt gegeven, maar dan van nachtvlinders. Ook hier blijken een aantal bijzondere vondsten gedaan, waaronder enkele niet eerder in Limburg aangetroffen soorten. Uit het fotomateriaal blijken deze vlinders net zo attractief zijn als hun overdag vliegende verwanten. Speciale aandacht wordt besteed aan de kleine pages in Limburg. Deze dagvlindersoorten hebben een nogal verborgen leefwijze, wat het zoeken naar deze dieren erg moeilijk maakt. Zo moest er in Heerlen een hoogwerker aan te pas komen om de eitjes te zoeken van de Iepenpage. Gelukkig worden er wat handige tips gegeven om op zoek te gaan naar deze vlindersoorten. Langs de Maas in Limburg vinden veel ontwikkelingen plaats en staan veel projecten op stapel, zoals het Grensmaasproject. Via het uitgebreid monitoringsonderzoek ‘Maas in Beeld’ worden de flora en fauna van alle natuurontwikkelingsterreinen langs de Maas nauwkeurig onderzocht. Op deze manier hoopt men zicht te krijgen op de effecten van 15 jaar natuurontwikkeling langs de Maas. In het themanummer worden het Hooibeestje en het Bruin blauwtje uitgelicht. Deze dagvlindersoorten hebben beide belangrijke leefgebieden langs de Maas. Als het met hun goed gaat, gaat het ook met het Maasdal de goede kant op. Niet alleen deze natuurterreinen langs de Maas, maar ook nog veel andere natuurgebieden in Limburg blijken nog bijzonder vlinderrijk te zijn. Met name de Sint-Pietersberg vormt een hoogtepunt van wat Limburg en Nederland op vlindergebied te bieden heeft. Maar zeker ook enkele andere natuurgebieden in Limburg zijn eveneens de moeite waard. Wat te denken van het Weerterbos, het Schuitwater of de Schinveldse bossen. Vandaar dat in het themanummer niet aan de vlinderrijkdom van enkele bijzondere vlindergebieden in Limburg voorbij wordt gegaan. Dat niet alleen natuurgebieden de moeite waard zijn om naar vlinders te kijken, bewijst een artikel over de dagvlinders van de Zuid-Willemsvaart. Hier kan met een gericht beheer nog veel moois verwacht worden. Ook leveren de inventarisatierondes van vleermuizen in de Maastrichtse vestingwerken vlinderwaarnemingen op. Hier blijkt onder andere de Dagpauwoog de winter door te brengen. Al met al een fraai overzicht van wat Limburg aan vlinders te bieden. Dat vlinders eveneens attractieve soorten zijn, zal niemand zijn ontgaan. Vandaar dat in het themanummer ook veel aandacht is besteed aan de vormgeving en het fotomateriaal. Themanummer ‘Nationaal Park de Meinweg’(juni en juli 2007) Natuurhistorisch Genootschap zet Nationaal Park de Meinweg op de kaart!
Het Nationaal Park De Meinweg bestond in 2006 tien jaar. Meer dan gebruikelijk in andere Nationale Parken onderschrijft het Overlegorgaan van Nationaal Park De Meinweg het belang van goed onderzoek als basis voor beheer en inrichting. Deze profilering was aanleiding om de onderzoeksresultaten aan flora en fauna van de afgelopen jaren onder de aandacht te brengen van een breed publiek. Dankzij een financiële bijdrage van het Nationaal Park, aangevuld met een tegemoetkoming van het Waterschap Roer en Overmaas, was het de redactie van het Natuurhistorisch Maandblad mogelijk om een tweetal themanummers uit te brengen (bijna 100 in kleur opgemaakte pagina´s, verdeeld over 18 artikelen), waarin de enorme biodiversiteit van het gebied alle aandacht krijgt. In deze themanummers is heel specifiek gekozen voor een soortgerichte insteek. Veel typerende en aaibare soorten van de Meinweg worden besproken, waaronder het Wild zwijn dat de laatste tijd nogal in opspraak is. Het Meinweggebied vormt samen met het aangrenzende Duitse deel het enige leefgebied in Limburg waar het Wild zwijn wordt getolereerd. In overig Limburg geldt een zogenaamd nustandgebied. De Adder staat symbool van het Nationaal park de Meinweg. Natuurlijk ontbreekt deze soort niet in het themanummer. In het artikel wordt specifiek ingegaan op de plantensamenstelling op de adderzonplekken. Naast de duidelijk herkenbare soorten is er ook oog voor de kleinere diergroepen zoals kiezelwieren, eendagsvliegen en steenvliegen. Voor deze soorten neemt de Meinweg een unieke plaats in binnen Nederland. Een aantal aangetroffen soorten zijn landelijk uiterst zeldzaam en/of bedreigd. Van de actuele Nederlandse steenvliegfauna komt maar liefst de helft op de Meinweg voor! De kans is groter dat u de sprinkhanen en libellen op de Meinweg tegenkomt. Het nationaal park herbergt een aantal bijzondere soorten uit deze groepen, zoals de Moerassprinkhaan, Veldkrekel, Gewone bronlibel en de Gevlekte glanslibel. Natuurlijk worden deze kleurrijke soorten uitgebreid behandeld. Van de vele wateren in de Meinweg maken niet alleen de libellen dankbaar gebruik, maar er worden hier ook verschillende waterroofkevers aangetroffen. Van deze soortgroep is een overzicht opgenomen van meer dan 30 jaar veldonderzoek! Ook de knoflookpad is voor zijn voortplanting afhankelijk van water. Helaas is over deze soort minder goed nieuws te melden. Naast de vennen en poelen behoren de Rode beek en de Bosbeek tot de fraaiste en meest natuurlijke beeksystemen van Nederland. Beide beken vormen het leefgebied van een zeer bijzondere vissoort, de Beekprik. Naast bijzondere plantensoorten, zoals de Beenbreek, komt natuurlijk ook de vogelpopulatie van het nationaal park in het themanummer aan de orde. Het gebied is immers internationaal beschermd vanwege het voorkomen van enkele bijzonder vogelsoorten. Een soort die het goed doet op de Meinweg is de Nachtzwaluw. Dit succesverhaal heeft echter ook een keerzijde……. Ook wordt ingegaan op het broedsucces van de Buizerd en Havik. Al met al een enorme hoeveelheid aan natuurinformatie die natuurlijk bij de liefhebber van het Meinweggebied bekend behoort te zijn, en die een waardevol overzicht biedt van al wat het Nationaal park aan natuurwaarden te bieden heeft. Themanummer ‘75 JAAR STICHTING HET LIMBURGS LANDSCHAP’(maart 2007) Presentatie van een ‘special’ van het Natuurhistorisch Maandblad
Op zaterdag 24 februari zal tijdens de provinciale Genootschapsdag van het Natuurhistorisch Genootschap een nieuw themanummer van het Natuurhistorisch Maandblad worden gepresenteerd: 75 jaar Stichting het Limburgs Landschap. Leden van het Natuurhistorisch Genootschap hebben in het jubileumjaar 2006 een groot aantal terreinen onderzocht van Stichting het Limburgs Landschap, de resultaten hiervan worden gepresenteerd in dit ruim 70 pagina’s en in kleur uitgevoerde themanummer. In het themanummer van het Natuurhistorisch Maandblad worden 17 gebieden van Stichting het Limburgs Landschap onder de loep genomen. Sommige hiervan worden al jaren nauwlettend gevolgd. Het themanummer opent natuurlijk met een overzichtsartikel dat de ontwikkeling beschrijft van Het Limburgs Landschap van beschermingorganisatie naar een stichting met doelgericht natuurbeheer en –ontwikkeling als voornaamste taken. Het eerste terrein dat de aanleiding vormde voor de oprichting van Stichting het Limburgs Landschap was de Boshuizerbergen. Eén van de bijzonderheden van dit gebied zijn de jeneverbesstruwelen. Hoe de toekomst voor deze kwijnende soort eruit ziet, wordt in dit artikel beschreven. Een ander gebied van het eerste uur is de Heimansgroeve. Het belang van deze carboongroeve in het Geuldal krijgt in het nummer de nodige aandacht. Het Geldernsch-Nierskanaal vormt door zijn diepe insnijding in de Maasterassen een bijzonder landschappelijk fraai gebied binnen het natuurgebied de Hamert. Visspecialisten hebben de visstand van deze meanderde beek bemonsterd. Zeker de laatste jaren hebben er spectaculaire ontwikkelingen plaatsgevonden. Ontwikkelingen van de libellenpopulaties worden beschreven voor de natuurgebieden Zwart Water, Venkoelen, Rüsschergroeve en de Tuspeel en voor de sprinkhanen van het gebied Schoorkuilen. Ook het opduiken van bijzondere plantensoorten, zoals het Moeraskartelblad in het Kaldenbroek of de rijkdom aan plantensoorten van een (klein) kalkgrasland ‘Klingeleberg’ vormen onderdeel van dit gevarieerde themanummer. Ook geen onbekend natuurgebied, het Weerterbos, komt aan de orde maar met een niet alledaagse soortgroep de grote waterroofkevers. Om maar eens verder in te zoomen op niet alledaagse soortgroepen: Mollusken (slakken) worden besproken voor Landgoed Beijlshof en van de Linnerheide. Dat ook kleine natuurgebieden kunnen uitgroeien tot waardevollle natuurterreinen, valt te lezen in een artikel over het Sweeltje. Natuurlijk komen ook vogels uitgebreid aan de orde. Zo worden de effecten besproken van natuurontwikkeling op vogels in kleiwingebied ‘de Baend’ langs de Maas en hoe de broedvogelstand in het natuurgebied de Turfkoelen zich in de loop van de jaren heeft ontwikkeld. Overwinterende vleermuizen in de Viltergroeve laten de laatste 10 jaar een spectaculaire toename zien van vooral baardvleermuizen en watervleermuizen. Alle artikelen zijn rijk geïllustreerd met tabellen en fotomateriaal. Landgoed Goedenraad is zelfs geheel vastgelegd met enkel foto’s! Themanummer ‘Ketelwald’(mei 2006)
HET BOSGEBIED ‘KETELWALD’ Een belangrijke grensoverschrijdende natuurschakel in het noorden van de Limburg De stuwwallen rondom Nijmegen, Mook en Kleef op de grens van de provincies Limburg en Gelderland en het Duitse Nordrhein-Westfalen, zijn rijk gezegend met bossen. In de loop van een lange geschiedenis is hier een afwisselend bosgebied ontstaan met een hoge natuurwaarde. In totaal ligt er bijna 9.000 ha min of meer aaneengesloten bosgebied. Het Ketelwald is de middeleeuwse naam van dit oeroude bosgebied. Het gebied biedt goede mogelijkheden om zich te ontwikkelen als groot grensoverschreidend bos- en natuurgebied, waarin het Edelhert en Wild zwijn weer aan beide zijden van de grens kunnen leven. Het themanummernummer ‘Ketelwald’ van het Natuurhistorisch Maandblad in Limburg gaat in op een natuurlijk bosbeheer, maar heeft ook aandacht voor cultuurhistorie. Heide, hakhout, sprengen, leemafgravingen, Romeinse wegen, wallen, greppels en lanen zijn elementen die door mensenhanden gemaakt zijn en die niet alleen extra landschappelijke en ecologische variatie opleveren, maar ook laten zien hoe mensen vroeger geleefd hebben in en met het bos. De initiatiefgroep Ketelwald heeft enkele projecten opgestart om deze doelen te bereiken. Het themanummernummer besteedt niet alleen aandacht aan de geschiedenis van het Ketelwald zelf, maar gaat bijvoorbeeld ook in op het belang van het bosgebied als belangrijke schakel in de ecologische verbinding. Op den duur zouden grote zoogdieren, zoals Wild zwijn en Edelhert, via het Ketelwald weer kans moeten krijgen om zich vanuit de Veluwe te kunnen verplaatsen naar natuurgebieden in het zuiden van Limburg. In Noordwest-Europa worden grote zoogdieren geconfronteerd met versnippering en isolatie van het leefgebied. Door herstel van habitat en realisatie van robuuste ecologische verbindingen kan verdere achteruitgang worden tegengegaan. Het Edelhert wordt hierbij in Nederland als gidssoort gebruikt. In een aantal andere artikelen kan men lezen over de vroegere en huidige natuurwaarden van het Ketelwald. Zo ligt aan de zuidrand van het Reichswald het voormalige Koningsven. Door subtiele verschillen in de waterhuishouding is de kansrijkdom voor natuurontwikkeling hier hoog. De initiatiefgroep Ketelwald wil deze strook dan ook koppelen aan het Reichswald. De vertaling van een artikel uit 1926 van de Duitser Hans Höppner, dat onder meer handelt over de flora en vegetatie van het Koningsven, geeft een goede indruk van de rijkdom van het Koningsven aan het begin van de vorige eeuw. De bronnen in het Ketelwald zijn over het algemeen in goede of redelijke staat. Door het wegvallen van de toestroom van grondwater naar deze bronnen, zijn de natte vegetaties aan de voet van de stuwwal deels verdroogd. Desondanks zijn er een aantal waardevolle natuurgebieden die nog steeds afhankelijk zijn van deze bronnen. Ook met de amfibieën in het Ketelwald lijkt het goed te gaan. Voor de reptielen geldt dit minder. Dit is vooral te wijten aan het kleine areaal heide en eenvormigheid ervan. Daarom worden maatregelen voorgesteld voor het herstel van grote stukken droge heide. Themanummer ‘25 jaar zoogdierenwerkgroep’(januari 2006) Bij de zoogdierenwerkgroep van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg wordt momenteel hard gewerkt om in 2008 een verspreidingsatlas uit te brengen van de zoogdieren in Limburg. Het feit dat de zoogdierenwerkgroep inmiddels 25 jaar bestaat was aanleiding om een special en dit themanummer te maken van het Natuurhistorisch Maandblad over zoogdieren in Limburg. Het ruim 50 pagina dikke themanummer van het Natuurhistorisch Maandblad geeft van een aantal zoogdiersoorten een indruk van de status in Limburg. Natuurlijk komen ‘aaibare soorten’ aan de orde als Eekhoorn, Hamster en Hazelmuis. Voor de Eekhoorn wordt een overzicht gepresenteerd van de aantalsontwikkelingen van 10 jaar eekhoornonderzoek in Limburg. Bij de burchten van de Hamster kunnen gemakkelijk fouten worden gemaakt bij de herkenning. Hamsterkenner Maurice LaHaye geeft duidelijke uitleg over de verschillen tussen burchten van Hamster en Bruine rat. Een andere typische Zuid-Limburgse soort betreft de Hazelmuis. De Hazelmuis is een zogenaamde prioritaire soort voor de provincie Limburg, vermeld op de Rode Lijst, opgenomen in de Habitatrichtlijn en beschermd volgens de Flora en Faunawet. De soort wordt uitgebreid behandeld, maar ook nu nog worden fouten gemaakt bij het beheer. Zal de soort het de komende jaren nog redden, of zijn ingrijpende maatregelen om deze soort voor Limburg te behouden? Ook binnen de stad komen zoogdieren voor. Uit een artikel over de Konijnen in de stad wordt duidelijk dat deze soort het juist goed doet in de Limburgse steden. Zeker het adequate maaibeheer van de plantsoenen zorgt voor uitstekende voedselrijke grasmatten. En daar is het Konijn verzot op! De Steenmarter is inmiddels ook bekend bij een breder publiek, zeker bij autobezitters. Het aantal meldingen van schade aan auto’s neemt in Nederland toe. In Borgharen bij Maastricht is onderzoek gedaan naar de omvang van dit probleem. In 2004 is in het kader van het al eerder genoemde atlasproject een publiciteitsactie gestart om kattenbezitters aan te sporen om kattenprooien te melden bij het Natuurhistorisch Genootschap. Ruim 200 kattenliefhebbers leverden digitale foto’s aan van kleine zoogdieren. Deze aktie leverde in 2004 waarnemingen op van elf soorten zoogdieren. Het kattenproject heeft ook in 2005 en 2006 nog een vervolg. Meer informatie vindt u op de website van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Ook de provincie Limburg is actief in het veld en leverde een bijdrage aan van hoe het dagactieve zoogdieren als Ree, Eekhoorn, Haas en Konijn vergaat. Maar ook de bijzondere waarnemingen als Watervleermuizen die zich bevinden in de overkluizing van de Keutelbeek, worden uitgebreid besproken. Naast een overzicht van het zoogdieronderzoek in Limburg van de laatste 100 jaar en een review van 25 jaar zoogdierenwerkgroep is ook een artikel opgenomen over de ontwikkelingen van overwinterende vleermuizen in Limburg. Zeker de groeven worden al sinds lange tijd geteld. Hoe vergaat het de vleermuizen tegenwoordig, bijvoorbeeld vergeleken met de aantallen van een aantal jaren geleden. Themanummer ‘Herstel natte natuur in Limburg’(november 2005) Verdroging van natte natuurgebieden vormt in Nederland een hardnekkig milieuprobleem. Herstel van deze natte natuurgebieden betekent het dempen, afdammen en/of het opstuwen van watergangen, het graven van natte laagten, het omvormen van donker naaldbos naar loofbos of heide, of gewoon minder grondwater oppompen. Dergelijke herstelmaatregelen vinden plaats in en rondom veel natuurgebieden verspreid over heel Limburg. De resultaten laten zien dat veel planten- en diersoorten weer toenemen of zelfs terugkomen. Het themanummernummer ‘Herstel natte natuur in Limburg’ van het Natuurhistorisch Maandblad besteedt aandacht aan de verdroging van natte natuurgebieden in Limburg, en de maatregelen die genomen worden voor het herstel ervan. Het themanummer gaat hierbij niet alleen in op de achtergronden van het beleid, maar geeft vooral ook inzicht in de vele herstelprojecten. Voorbeelden verspreid over heel Limburg passeren de revue en laten de successen, maar ook de problemen zien waar waterschappen, natuurbeherende organisaties en andere deskundigen bij deze projecten voor komen te staan. Successen, zoals het herstel van het Heereveen op landgoed de Hamert en het Haeselaarsbroek nabij Echt, bewijzen dat zeer veel bijzondere soorten kunnen terugkeren. Vernattingsmaatregelen in elzenbroekbossen geven een indruk hoe nauwgezet deze maatregelen moeten worden uitgevoerd. Het herstel van natte natuurgebieden lijkt duidelijk vruchten af te werpen: Limburg blijkt in Nederland voorop te lopen, maar er is zeker nog een lange weg te gaan. Het succes in Limburg is namelijk voor een groot deel te danken aan één grootschalig en omvangrijk herstelproject, dat is uitgevoerd in de Mariapeel. Hier werden de waterstanden opgezet in de hoop de natuur van weleer terug te krijgen. In het themanummer kunt u lezen hoe de restanten van het vroegere hoogveen zich weer langzaam beginnen te herstellen. Het themanummer besteedt ook aandacht aan een specifiek Zuid-Limburgs probleem rondom verdroging, namelijk de verdrogingsffecten in de waardevolle brongebieden. Dat verdroging al jaren kan spelen, schetst een artikel over verdroging in het Jekerdal. Uit dit artikel blijkt dat de oorzaken soms al teruggaan tot ver in de vorige eeuw. In een tweetal afsluitende artikelen wordt aandacht besteed aan de invloed van waterstandveranderingen op enkele diergroepen. De Vlinderstichting geeft hierbij een helder beeld van de relatie tussen de aanwezigheid van bepaalde vlindersoorten en de grondwaterstanden in een natuurgebied. Het themanummer heeft hiermee getracht een zo breed mogelijk beeld te geven van de problematiek, maar van ook de successen en de maatregelen die genomen worden om de natte, waardevolle natuur in Limburg weer terug te krijgen. Themanummer '25 jaar Plantenstudiegroep'(maart 2005) De Plantenstudiegroep bestond in 2004 25 jaar. Een floristisch kijk op 25 jaar onderzoek van de Limburgse flora,waarbij een vergelijking tussen vroeger en nu centraal staat. Themanummer '25 jaar Herpetologische Studiegroep Limburg'(mei 2004) Ook de Herpetologische Studiegroep bestond in 2004 25 jaar. Dit themanummer dat helemaal gericht is op het wel en wee van de herpetofauna in Limburg over Roerdal, Kamsalamder, Wormdal, Knoflookpad..... Themanummer 'Verborgen Valleien: Mergelgroeven in Zuid-Limburg' (april 2004) Natuur en mergelwinning waren tot voor kort elkaars tegenpolen. Dankzij de visie "Verborgen Valleien" komen groeven in een ander daglicht te staan. Ze kunnen zich ontwikkelen tot spectaculaire natuurlandschappen met een unieke flora en fauna. Themanummer 'Studiegroep Onderaardse Kalksteengroeven'(december 2003) Naar aanleiding van het vijfentwintigjarige jubileum van deze studiegroep is dit themanummer tot stand gekomen. Aan bod komen onder andere de rijke historie van het verre(Bokkenrijders) en nabije verleden van dit geheimzinnige onderaardse landschap. Ook wordt de ontstaansgeschiedenis en verdere ontwikkeling van het SOK beschreven. Themanummer 'Vismigratie' (oktober 2003) Dit themanummer belicht de stand van zaken op het gebied van de vismigratieknelpunten in de Maas en de daarin uitmondende waterlopen in Nederland en Vlaanderen. Het geeft belangrijke informatie voor de aanpak van het herstel van bedreigde en kwetsbare vissoorten in dit unieke riviersysteem. Themanummer 'Beegderheide II' (mei 2003) In het eerste themanummer van de Beegderheide (oktober 1996) werd dit gebied geïnventariseerd op flora en fauna. De effecten van het hieruit resulterende herstelplan wordt in dit nummer uitgebreid behandeld. In 80 pagina’s worden alle facetten van dit mooie heideterrein onder de loep genomen. Bestelinformatie |